Vaktermen en begrippen

Achterplat Deel van de boekband. Zie aldaar.
Aflopend Plaatsing van bijvoorbeeld een afbeelding over de afsnee.
Band Korte benaming voor boekband.
Bandzetter Boek waarvan het boekblok in een boekband is bevestigd oftewel een gebonden boek.
Bekledingsmateriaal Sterk papier, linnen en dergelijke voor de buitenzijde van boekbanden.
Bindwijze Manier waarop een boek in elkaar is gezet. Globaal te onderscheiden in genaaid en garenloos gebonden, en in de band gezet en gebrocheerd.
Binnenwerk Synoniem van boekblok.
Bladspiegel Indeling van een tekstpagina met in het bijzonder de maten van de marges (kopwit, staartwit, rugwit en zijwit).
Boekband De band van een gebonden boek. Een boekband bestaat uit twee borden, een ruggenbord en een stuk bekledingsmateriaal, en is te verdelen in een voorplat, achterplat en rug.
Boekblok Synoniem van binnenwerk.
Borden De twee stukken bord die, overtrokken met bekledingsmateriaal, het voorplat en ­achterplat van een boekband vormen.
Breedlopend Term voor papier waarvan de looprichting evenwijdig is aan de korte zijde van het vel.
Brocheren Het lijmen van een omslag om het binnenwerk. Het resultaat is een gebrocheerd boek.
Buigproef Proef om de looprichting van een vel papier vast te stellen door het vel in de lengte- en in de breedterichting te buigen.
Colofon De vermelding van de naam van de drukker en de binder, de papiersoort en andere (technische) gegevens over de uitgave. Meestal staat het colofon helemaal achter in het boek.
Doekzijde De zijde van het papier die niet op de zeef van de papiermachine heeft gelegen, maar tegen het viltdoek van de papiermachine. Bovenzijde van een vel papier.
Dummy Model van een boek of ander drukwerk, soms nog zonder tekst en afbeeldingen.
Fictie Term voor boeken waarvan de inhoud op fantasie berust.
Flaptekst Tekst op boekband of (stof-)omslag waarin iets wordt verteld over de inhoud van het boek en soms ook over de schrijver. In dit laatste geval staat er vaak een foto bij van de auteur.
Franse titel Verkorte titel op een pagina voor de eigenlijke titelpagina.
Frezen Het afschaven en tegelijk ruw maken van de rug van de katernen voor een garenloos gebonden boek.
Garenloos Bindwijze waarbij de rug van de katernen wordt gefreesd en met lijm wordt in­gesmeerd om de bladen met elkaar te verbinden.
Gebonden boek Synoniem van bandzetter. Een kenmerk van een gebonden boek is dat de boekband iets over het boekblok uitsteekt. De boekband kan een rechte rug hebben of een ronde rug.
Gebrocheerd Zie brocheren.
Gefreesd Zie frezen.
Genaaid Zie naaien.
Gramgewicht Gewicht in grammen per vierkante meter (g/mC) van een vel papier.
Halfpapieren band Boekband waarvan het bekledingsmateriaal uit drie delen bestaat: een strook zeer sterk papier voor de rug en twee vellen gewoon papier voor de platten. In de band zetten Het in de boekband bevestigen van het boekblok. Het resultaat is een gebonden boek.­
Inslagen De randen van het bekledingmateriaal die om de borden worden geslagen.
Insteken Het in elkaar steken van gevouwen vellen papier.
Kapitaalbandje Sierbandje dat op de rug van het boekblok, aan kop en staart wordt aan­gebracht. Het bandje heeft een esthetische functie: het vult de kier tussen ruggenbord en ­binnenwerk op. Zie ook kraaltje.
Kapitalen (1) Het aanbrengen van ­ kapitaalbandjes. (2) Hoofdletters.
Katern Een gevouwen vel voor een boek.
Kettingsteek De naaisteek waarmee de katernen voor een genaaid boek aan elkaar worden bevestigd.
Kneep De gleuf die in de boekband wordt aangebracht tussen rug en voorplat en rug en ­achterplat. De kneep draagt bij aan het goed scharnieren van de platten en is in bindersogen het belangrijkste element van het bindwerk van een gebonden boek.
Knepen Het zo vervormen van de rug van een boekblok, dat dit achter het voorplat en achterplat blijft zitten en het boek mooi in vorm blijft.
Kop De kant van een katern of boek die boven zit als je het rechtop houdt.
Kraaltje Het koordachtige randje van een kapitaalbandje.
Kruisvouwen Het steeds haaks op de ­vorige vouw vouwen van vellen papier.
Langlopend Term voor papier waarvan de looprichting evenwijdig is aan de lange zijde van het vel.
Lettertype Naamsaanduiding voor een bepaalde letterserie of letterfamilie, bijvoorbeeld: ­Bodoni, Courier, Gill, Helvetica, Times. Wordt tegenwoordig ook ‘font’ genoemd.
Looprichting Belangrijke eigenschap van papier. De looprichting ontstaat door de snelheid van de papiermachine waardoor de meeste vezels in de draairichting van de papiermachine liggen.
Naaien De katernen van een boek met garen aan elkaar bevestigen.
Naailintjes Stukjes lint die bij met de hand gebonden genaaide boeken aangebracht worden voor extra stevigheid.
Non-fictie Term voor boeken waarvan de inhoud op feiten berust.
Omslag Een uit één stuk papier of karton bestaande buitenkant van een boek. Boeken met een omslag worden gebrocheerde boeken genoemd.
Onderkast Kleine letters, zo genoemd omdat ze bij het vroegere handzetten (loden letters) in de onderste kast lagen.
Opmaak (1) Plaatsing van tekst en beeld in de pagina’s. (2) Het opmaken.
Opmaken Het plaatsen van tekst en beeld in de pagina’s en het maken van de definitieve ­bestanden voor het printen.
Opstoten De kop en rug van een boekblok recht tegen een vlakke ondergrond stoten om ­ervoor te zorgen dat de katernen gelijkkomen.
Overlijmen Het met een stuk overlijmmateriaal omplakken van de rug van een boekblok. Overlijmen dient om de (ronde of rechte) rug in vorm te houden. De overstekende stroken van het overlijmmateriaal zorgen er samen met de schutbladen voor dat het boekblok in de boekband blijft hangen.
Overlijmmateriaal Een stuk crêpe of gaas gebruikt voor het overlijmen.
Pagineren Het nummeren van de bladzijden.
Paperback Een gebrocheerd boek dat iets groter en/of luxer is dan een pocket. Het kan zowel genaaid als garenloos gebonden zijn.
Parallel vouwen Het steeds evenwijdig aan de vorige vouw vouwen van vellen papier.
Persen Het onder druk laten drogen van gebonden boeken; de laatste fase van het binden.
Plano Term voor ongevouwen vellen papier.
Platten Delen van de boekband. Zie aldaar.
Pocket Een klein en eenvoudig garenloos gebrocheerd boek. De naam komt van het Engelse woord voor een zak in kleding.
Punt op punt vouwen Het zo vouwen van vellen papier dat de hoeken ervan precies op elkaar komen.
Rondzetten De rug van een boekblok vóór het overlijmen een ronde vorm geven. Door deze vorm is het boek makkelijker open te slaan. Rug De kant van een boek, boekblok of katern waar de bladzijden aan elkaar vastzitten.
Ruggenbord Deel van de boekband. Zie aldaar.
Rugtitel De boektitel die op de rug staat. Verder is op de rug vaak de naam van de schrijver en het beeldmerk van de uitgever gedrukt.
Schoonsnijden Het afsnijden van een randje van de kop, staart en voorzijde van een boek of boekblok om deze drie kanten glad en de pagina’s los te maken.
Schutbladen Uit 4 pagina’s bestaande vellen papier die samen met het overlijmmateriaal voor de verbinding tussen boekblok en boekband zorgen. Schutbladen hebben ook een esthetische functie: ze bedekken de borden en het overlijmmateriaal en zorgen voor een mooie overgang tussen binnenwerk en band.
Snede Ook wel kortweg ‘snee’ genoemd. De drie kanten van een boek of boekblok waar de ­pagina’s los zijn. Gewoonlijk worden die kanten schoongesneden; vandaar het woord. Staand Langste zijde in de hoogte. (In tegenstelling tot oblong: langste zijde in de breedte.)
Staart De kant van een katern of boek die onder zit als je het rechtop houdt.
Stofomslag Het papieren omslag om een boekband. Dit was oorspronkelijk bedoeld om de band te beschermen; het is zelf erg kwetsbaar. Tegenwoordig wordt het meestal gebruikt voor affichering en het geven van informatie.
Titel De naam van een hoofdstuk of boek, respectievelijk ook wel ‘hoofdstuktitel’ en ‘boektitel’ genoemd. De boektitel staat op het voorplat, de rug en de titelpagina.
Titelpagina De bladzijde van het binnenwerk van een boek waarop de titel en auteursnaam en vaak ook de plaats waar en het jaar waarin het boek is gemaakt staan; meestal de derde pagina van het eerste katern. Op de eerste pagina van dit katern wordt doorgaans de verkorte titel (‘Franse titel’) vermeld.
Tweezijdigheid Vakterm voor de verschillende eigenschappen van de zeefzijde en van de doekzijde van een vel papier.
Vergaren Het op volgorde verzamelen van de katernen.
Voorplat Deel van de boekband. Zie aldaar.
Voorzijde De kant van een boek, boekblok of katern die recht tegenover de rug zit – dus níét de kant die leken meestal de voorkant of voorzijde van een boek noemen.
Vouwbeen Een niet-scherp mes van been of kunststof dat een handboekbinder onder meer gebruikt om vouwen in papier (mee aan) te wrijven en het overlijmmateriaal mee aan te drukken.
Vouwvel Te vouwen vel papier.
Zeefzijde De zijde van het papier die op de zeef van de papiermachine heeft gelegen.