Afmaakverhaal

Eli was nou niet bepaald wat je zegt een geboren avonturier. Eerder een luiaard die zich vaak opsloot in zijn eigen kamer, waar hij op bed zijn vingers stuk pingelde aan zijn Blackberry. Of soms urenlang staarde naar maffe en suffe YouTube-filmpjes. En als dat gedaan was, sliep hij het liefst lekker lang uit. En verder liet hij zich er als een koning door zijn moeder bedienen.
‘Mam! Kun je een glas chocomel boven komen brengen! En doe maar ook wat chips. Wokkels! Pa-pri-ka!’
Ik kan je vertellen dat die Eli een leven leidde als van een tamme hamster. Zo saai!
Tot hij de gekke Hans Schmitz ontmoette.
Eli kwam Hans Schmitz per toeval tegen, niet lang nadat hij was weggestuurd van zijn stage-adres, verzorgingstehuis Blijenhuis om precies te zijn. Eli kwam er vaak te laat of soms helemaal niet. En toen hij ook nog eens weigerde om mevrouw Visser te wassen, was de maat vol voor zijn begeleider.
‘Maar meneer Wankel. Dat kan ik niet! Ze heeft pukkeltjes op haar rug! Overal pukkeltjes!’ probeerde Eli zich nog te verdedigen.
Meneer Wankel legde een hand op Eli’s schouder en sprak op de toon van een dominee: ‘Eli! Jongen! Hier hoeft niets te glanzen. We zijn geen autobedrijf maar een verzorgingstehuis. Je gaat mevrouw Visser, inclusief haar honderden pukkeltjes, wassen of je gaat naar huis.’
Eli liet de bejaarde pukkeltjes voor wat ze waren en verkoos de weg naar huis. En omdat hij de vorige stage ook al had verpest, wilde zijn school niets meer voor hem doen. Eli kwam thuis te zitten. Dit tot afgrijzen van zijn vader. Regelmatig stampte die daarom de trap op en bonsde hij hard op Eli’s slaapkamerdeur. Hij schreeuwde dan zijn stem zowat kapot.
‘Eli! Je bent verdomme toch geen etalagepop? Kom verdomme eens die stinkkamer uit? Ga wat doen! Ga wat doen, zeg ik je!’
‘Ik ben toch bezig?’
‘Wat ben je nu dan aan het doen?’
‘Ik eet nu soep. Tomatensoep!’
‘Mijn god’, sprak de vader triest. ‘Er zijn mensen die superuitvindingen doen. Er zijn mensen die naar de maan of weet ik wat vliegen! En meneer vindt het een hele prestatie dat hij tomatensoep eet? Kom verdomme eens die kamer uit! Zoek een baan! Of regel wat met school of zo.’
‘Doe ik, pa.’
‘Wanneer? In tweeduizendvijfentwintig of later?’
‘Binnenkort, pap. Echt. Ik zweer het je. Echt!’
Maar Eli gaf zijn lui leventje niet op. En de spanning in huis steeg met de dag.
Zo hoog dat de zaak ontplofte, nadat de vader een slechte dag op het werk had beleefd. En als ik zeg een slechte dag, dan bedoel ik ook echt een heel slechte dag. Daarbij draaide hij ook nog eens nachtdienst en was het een koude ochtend. Bij het openen van de voordeur, toen hij de afgetrapte gympen van Eli voor de zoveelste keer midden in de gang zag staan, sloegen de stoppen door. Van woede werd zijn hoofd zo heet als een grillplaat.
‘Wat een niksnut!’ bulderde de vader.
Hij snelde naar de schuur, nam een grote schroevendraaier en een hamer, liep als een woeste hooligan de trap op, timmerde het slot uit Eli’s kamerdeur en zwiepte hem hard open.
‘Eruit’, sprak hij woest en vastberaden. Hij stak een vinger vooruit. ‘Ik zeg: eruit! Nu!’
Zonder een woord te zeggen. Met een strakke, stoere blik pakte Eli zijn tas in. Ondertussen wel denkend: waar moet ik heen?
‘Neem in elk geval een flesje drinken mee’, riep zijn moeder hem buiten nog na. Verder maakte ze zich er niet al te druk om. Eli was vaker het huis uitgezet. Meestal was hij dezelfde avond weer terug. Of de volgende morgen nadat hij een nachtje had doorgebracht bij zijn beste vriend Zappie Sammie.
Eli liep met zijn sporttas over de schouder een rondje of drie door het saaiste centrum van Nederland. De bewolkte dag maakte het er niet mooier op. Eli zuchtte diep en besloot om ergens de tijd door te brengen. Heel wat van zijn vrienden doodden de tijd in coffeeshop Donald, of in de bibliotheek achter het centrum. Eli was niet zo van de coffeeshop. Een goede schoolvriend Marco kwam er ook elke dag. Die was er gek geworden. Riep elke dag op het plein: ‘Ik ben de president van de wereld!’
Daarbij moest je knaken hebben voor een coffeeshop.
Eli had maar twintig euro op zak, die hij als handdruk mee had gekregen van zijn stagebegeleider. Daar moest hij zeker nog een tijdje mee doen. Een drankje kostte in een coffeeshop toch al gauw twee euro. Eli besloot de bibliotheek op te zoeken. In de bieb kon je koffie krijgen voor twintig cent. Soms zelfs helemaal gratis. Het was er warm en je kon er gratis internetten. Zo kon hij wat tijd doden. Om vijf uur zou hij naar Zappie Sammie gaan, die stage liep in hetzelfde verzorgingstehuis. Hij zou hem vragen of hij weer bij hem kon blijven slapen. Maar zover zou het dus niet komen. Eli zou de nacht niet bij Sammie doorbrengen. Ook niet thuis. Vanaf die dag zou het leven van Eli totaal anders zijn.
Na twee cappuccino’s gedronken te hebben in de bibliotheek en een uurtje te hebben geïnternet, had Eli van verveling een stapel kranten van het schap gepakt. Daarmee was hij in een hoekje, achter de geschiedenisboeken, op een krukje gaan zitten. Misschien toch een keer een baantje zoeken, dacht hij nu al starend naar de stapel papier.
In zijn hoofd echode de stem van zijn vader na: ‘Eli! Ga eens wat doen!’
Vlug bladerde hij door naar de personeelsadvertenties. Gewoon om te kijken. Het was bijna vakantie, dus genoeg advertenties die schreeuwden om jongeren voor magazijnwerk. Ook zochten ze overal keukenhulpjes en autopoetsers. Maar als Eli iets van zijn stage had geleerd, dan was het wel dat hij niet voor dat soort werk in de wieg was gelegd. Maar wat voor werk dan wel wist hij eigenlijk ook niet. Hij slaakte een diepe zucht en sloeg de zoveelste pagina van de zoveelste krant om. Tot zijn oog viel op een kleine, mysterieuze advertentie.
Gevraagd stoere, coole bijrijder zonder angst.
Eli moest meteen aan oom Abassi denken. Het broertje van zijn vader was ook vrachtwagenchauffeur. Die had een gruwelijk bakbeest, dat hij van binnen en van buiten helemaal had opgetuigd. Met koplampen die je als een panter, zo gevaarlijk aanstaarden. En oom Abassi was nooit langer dan twee dagen thuis. En als hij er was, dan vertelde hij van die mooie spannende verhalen. Eli zag zichzelf al in de grote wagen zitten en ook die spannende dingen meemaken. Wilde ritten maken in het buitenland. Rusland, Engeland, de Spaanse heuvels op en af. Snel scheurde Eli de advertentie uit de krant en haastte zich, met een opgewonden lijf, naar buiten. Onder de pui van de bieb draaide hij het nummer dat in de advertentie stond. Het duurde even voor er werd opgenomen.
‘Hallo, met Hans Schmitz’, hoorde hij een man met schorre, wat humeurige stem zeggen.
‘Dag meneer Schmitz’, sprak Eli zo vriendelijk mogelijk.
‘U spreekt met Eli Bata. Ik las in een advertentie dat u op zoek bent naar een bijrijder en…’ Voor Eli zijn zin kon afmaken was de lijn verbroken. Eli ging ervan uit dat er iets verkeerd was gegaan. Misschien dat die Schmitz zijn telefoon had laten vallen tijdens het rijden. En dus toetste hij het nummer maar opnieuw in. Nu hoorde hij eerst wat zwaar gekuch, en het geluid van spullen die vallen. En toen weer die schorre stem: ‘Met Hans. Hans Schmitz.’
‘U bent u op zoek naar een bijrijder?’ probeerde Eli weer. Maar gek genoeg werd hij weer weggedrukt.
‘Wat een raar bedrijf’ mopperde Eli.
Toch besloot hij het nog maar een keer te proberen. Echt de laatste keer. Bij het indrukken van de herhaaltoets bleef zijn blik nu strak gericht staan op de kop van de advertentie.
Gevraagd stoere, coole bijrijder zonder angst.
‘Hallo met Hans Schmitz.’
‘Hallo, meneer. U bent toch op zoek naar een coole bijrijder zonder angst?’
‘Ja’, reageerde de man nu wat lacherig en op een mysterieuze toon. ‘Daar ben ik wel naar op zoek. Naar een stoere coole bijrijder zonder angst. Hoe oud ben je?’
‘Zestien, meneer.’
‘Heb je ervaring als bijrijder?’
‘Nee, maar ik heb wel een oom die…’
‘Ja, ja, en waar ben je nu jochie?’
‘Eh… buiten.’
‘Buiten waar?’
‘Bij de bieb van Hoogtuin.’
‘Ik kom je over een half uur ophalen.’
‘Half uur?’
‘Ja. Jij bent toch een stoere, coole bijrijder zonder angst?’
‘Ja… ja… dat ben ik.’
‘Dan kom ik er nu aan.’